de vlucht

Gepubliceerd op 15 april 2026 om 06:00

Vier jaar geleden vertelde mijn pedicure aangedaan dat Thích Nhat Hanh, Boeddhistische monnik en vredesactivist, was overleden. Beiden werden geboren in Vietnam en beiden vluchtten daar ooit vandaan. Ze sprak met liefdevol enthousiasme over hem, raadde me aan zijn gedichten te lezen. Van hieruit ontspon zich een gesprek over compassie en nutsbesef. 

 

Binnen die sfeer deelde ik het verhaal van mijn Canadese vriendin en haar ‘therapeutic fosterhome’. Hoe zij soms verslaafd geboren baby’s tweemaal daags in het ziekenhuis bezoekt, totdat ze ontgift en enigszins gehecht, klaar zijn om in liefde mee naar huis te gaan. Net zo lang als nodig is om passende adoptiefouders of een plaatsing bij familie te vinden. De pijn van het loslaten, zeker als ze lang blijven, hoort daarbij.

Naar aanleiding hiervan vertelde pedicure Lihn me over een succesvolle Vietnamese zakenvrouw  die - gedreven doordat ze ooit zelf te vondeling was gelegd en in haar jeugd dakloos was en misbruikt werd - via haar stichting Que Huong Charity Center honderden kinderen heeft opgevangen. Ze wordt de moeder Theresa van Vietnam genoemd.

 

Een dezer dagen had ik weer een afspraak in de nagelsalon.

 

Lihn kijkt me bij binnenkomst indringend aan. “Inge, hoe is het met jou?!”  “Ach, soms is het leven wat lastiger, dat hoort erbij”. Onze blikwisseling spreekt boekdelen; we herkennen elkaar intuïtief.

 

Vanuit het niets zegt ze: “Ik heb de laatste jaren geen nachtmerries meer”.  

 

Na deze abrupte introductie hoor ik over de beknellende invloed van het communisme in het naoorlogse Vietnam. Hoe men elkaar bespioneerde en verraadde, hoe door het communistisch regime heropvoedingskampen in het leven waren geroepen. De Vietnamees-Chinese oorlog van 1979 wakkerde de anti Chinese stemming weer aan - Lihns vader is volbloed, haar moeder half Chinees - zodat ook Chinezen regelmatig in die heropvoedingskampen belandden. Zelf zat zij als jonge teenager ruim een jaar in de gevangenis.

 

Na vrijlating stuurde vader haar met vijftien jaar, samen met kleine broer, op pad om te vluchten. Onderweg naar de kust lukte het hem niet het moeras met stekelige planten te doorwaden. Ze gaf hem mee aan een bekende, die hem naar de boot zou brengen. Later bleek deze man te zijn gespot door verraders, waardoor hij niet anders kon dan het broertje terugbrengen naar de ouders. 

 

Zij  bereikte de kust, voer op een tjokvolle boot naar Maleisië. Daar zou ze drie jaar in een vluchtelingenkamp verblijven. Vanaf het lage krukje aan mijn voeten tilt ze haar telefoon omhoog mijn kant op. Daarop is een luchtfoto van zo'n kamp te zien. Desgevraagd vertelt ze dat ze daar veilig was, omdat minderjarige meisjes in een aparte hoek van het kamp gehuisvest werden. Tweemaal per week kregen ze een karige hoeveelheid eten (rijst en sardientjes) om samen klaar te maken. 

 

Soms versta ik haar even niet goed door het accent, maar wil het verhaal niet onderbreken. Ze zei eerder eens: “Ik luister liever”. Geen probleem in de levendige multiculturele salon, waar ze mensen altijd adresseert door te vragen hoe het hen vergaat, hun kinderen of bekenden, hoe het gaat met hun studie, vakantie etc etc. Nu luister ik ook liever,  terwijl zij werkt en vertelt. Liever het hele verhaal in schetsvorm dan een deel in detail.

 

Nadat ze op haar achttiende gezinshereniging had kunnen aanvragen, ging ze naar oma in Duitsland. Die bleek een 'boze stiefmoeder', ze moest keihard werken in het huishouden en van wat ze buitenshuis verdiende het merendeel afgeven. Ergens in die tijd ontmoette ze haar man. Getweeën vertrokken ze naar het vriendelijke Nederland.

 

Haar ouders leven nog in Vietnam waar ze hen zoveel als mogelijk is, bezoekt met haar gezin. Toen ze later met vader over de vlucht sprak, besefte ze dat hij niet zomaar streng was geweest. Hij had haar beschermd tegen nog meer onheil. Ze begreep toen ten volle dat het wegsturen een liefdevolle daad pur sang was geweest. Zij en haar broers hebben allemaal hard gewerkt om een goed leven op te bouwen. “En dat is gelukt!” klinkt het trots en blij.

 

“Jij leeft mee!”, zegt ze opeens met nadruk. Blijkbaar wekt dat meeleven een associatie. Een paar dagen eerder had ’n vaste klant tijdens een manicure haar levensverhaal gedeeld. Na een moeizame jeugd in pleeggezinnen was ze advocaat geworden. Beide vrouwen hadden, die namiddag samen in de lege salon, gehuild om herkenbaar kinderleed.

 

Als ik klaar ben, zet ze met een lief gebaar mijn schoenen binnen handbereik. We staan even stilzwijgend tegenover elkaar. Ik bedank voor het levensverhaal en zeg: "Vroeger vertelde ik mijn dochter:" "Je moet door het moeras, er niet om heen, anders doemen achter je rug monsters op."  Na een stilte zegt ze: "Ja dat klopt". Een zielenverbinding doet zich, dwars door alle verschillen heen, voelen  als een gouden draad.

 

Hierna kunt u het gedicht 'Please Call Me by My True Names' van voornoemde monnik Thích Nhat Hanh lezen en/of beluisteren. Dat is geënt op de geschiedenis van een Vietnamees meisje dat per boot vluchtte. Het past naadloos bij mijn verhaal en benoemt, via het boeddhistische gedachtengoed, zo mooi en inspirerend de kern van compassie,  dat ik het met Thichs toelichting bijvoeg. 

 

Don’t say that I will depart tomorrow —
even today I am still arriving.

 

Look deeply: every second I am arriving
to be a bud on a Spring branch,
to be a tiny bird, with still-fragile wings,
learning to sing in my new nest,
to be a caterpillar in the heart of a flower,
to be a jewel hiding itself in a stone.

 

I still arrive, in order to laugh and to cry,
to fear and to hope.

 

The rhythm of my heart is the birth and death
of all that is alive.

 

I am the mayfly metamorphosing
on the surface of the river.
And I am the bird
that swoops down to swallow the mayfly.

 

I am the frog swimming happily
in the clear water of a pond.
And I am the grass-snake
that silently feeds itself on the frog.

 

I am the child in Uganda, all skin and bones,
my legs as thin as bamboo sticks.
And I am the arms merchant,
selling deadly weapons to Uganda.

 

I am the twelve-year-old girl,
refugee on a small boat,
who throws herself into the ocean
after being raped by a sea pirate.
And I am the pirate,
my heart not yet capable
of seeing and loving.

 

I am a member of the politburo,
with plenty of power in my hands.
And I am the man who has to pay
his “debt of blood” to my people
dying slowly in a forced-labor camp.

 

My joy is like Spring, so warm
it makes flowers bloom all over the Earth.
My pain is like a river of tears,
so vast it fills the four oceans.

 

Please call me by my true names,
so I can hear all my cries and my laughter at once,
so I can see that my joy and pain are one.

 

Please call me by my true names,
so I can wake up,
and so the door of my heart
can be left open,
the door of compassion.

 

de gesproken versie

 

 

de toelichting door Thich Nhat Hanh

 

"After the Vietnam War, many people wrote to us in Plum Village. We received hundreds of letters each week from the refugee camps in Singapore, Malaysia, Indonesia, Thailand, and the Philippines, hundreds each week. It was very painful to read them, but we had to be in contact. We tried our best to help, but the suffering was enormous, and sometimes we were discouraged. It is said that half the boat people fleeing Vietnam died in the ocean; only half arrived at the shores of Southeast Asia.

 

There are many young girls, boat people, who were raped by sea pirates. Even though the United Nations and many countries tried to help the government of Thailand prevent that kind of piracy, sea pirates continued to inflict much suffering on the refugees. One day, we received a letter telling us about a young girl on a small boat who was raped by a Thai pirate. She was only twelve, and she jumped into the ocean and drowned herself.


When you first learn of something like that, you get angry at the pirate. You naturally take the side of the girl. As you look more deeply you will see it differently. If you take the side of the little girl, then it is easy. You only have to take a gun and shoot the pirate. But we can’t do that. In my meditation, I saw that if I had been born in the village of the pirate and raised in the same conditions as he was, I would now be the pirate. There is a great likelihood that I would become a pirate. I can’t condemn myself so easily. In my meditation, I saw that many babies are born along the Gulf of Siam, hundreds every day, and if we educators, social workers, politicians, and others do not do something about the situation, in twenty-five years a number of them will become sea pirates. That is certain. If you or I were born today in those fishing villages, we might become sea pirates in twenty-five years. If you take a gun and shoot the pirate, you shoot all of us, because all of us are to some extent responsible for this state of affairs.

 

After a long meditation, I wrote this poem. In it, there are three people: the twelve-year-old girl, the pirate, and me. Can we look at each other and recognize ourselves in each other? The title of the poem is “Please Call Me by My True Names,” because I have so many names. When I hear one of the of these names, I have to say, “Yes.”

 

Reactie plaatsen

Reacties

Frits
2 dagen geleden

Mooi Inge, indrukwekkend! Heel bijzonder!
Een mooi verzetten en verplaatsen van de geest van de lezer/luisteraar. Er is vast ook wel behoorlijk wat werk in gaan zitten, denk ik…Veel dank, Frits

Dirk
17 uur geleden

schitterend geschreven Inge

Léon
9 uur geleden

Compassie en nutsbesef. Daar kan onze wereld niet genoeg van krijgen. Indrukwekkende schets uit een "wereld" waarvan ik ook af en toe flarden op mag vangen, stukjes van mag delen. Can we look at each other and recognize ourselves in each other? Hoe treffend verwoord. Dan hopelijk ook zoeken naar de dialoog en verbinding. Dank voor dit zielevoer . . .